Aansprakelijkheid in het buitenland woonachtige bestuurders en commissarissen van Nederlandse rechtspersonen 

Publicatie

14 juli 2017

In mei 2017 verscheen in de serie ‘Vanwege het Van der Heijden Instituut’ de bundel ‘Aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen; nadere terreinverkenning in een uitdijend rechtsgebied’. De bundel beoogt dit rechtsgebied over de volle breedte te bespreken, niet alleen vanuit het ondernemingsrecht, maar ook vanuit een algemeen vermogensrechtelijk, faillissementsrechtelijk en het internationaal privaatrechtelijk perspectief. De bijdrage van advocaat Roderik van Hees is een hoofdstuk over de internationale en interregionale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in geschillen over de aansprakelijkheid van in het buitenland woonachtige bestuurders en commissarissen van Nederlandse rechtspersonen. Deze bijdrage is ook relevant voor procedures over de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen die worden gevoerd voor een rechter op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES-eilanden.

Over dit onderwerp publiceerde Roderik in het verleden al vaker. Zo schreef hij in 2015 een noot bij de voor dit onderwerp belangrijke uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake Holterman Ferho c.s./Spies von Büllesheim (JBPr 2015, 55). Deze uitspraak was in het bijzonder van belang voor de vraag of een bestuurder, die zijn bestuurstaak (heeft) verricht op basis van een arbeidsovereenkomst (in plaats van bijvoorbeeld een managementovereenkomst), een beroep kan doen op de beschermingsbepalingen in de EEX-Verordening voor werknemers. Roderik gaat in de noot dieper in op dit vraagstuk, en behandelt enkele nog openstaande vragen. Daarnaast schreef Roderik onlangs een noot bij het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2017 (JBPr 2017, 34), dat het vervolg is op bovenstaande uitspraak van het Hof van Justitie.

De bijdrage die Roderik schreef voor de bundel is een logisch vervolg op de twee noten. Hij gaat niet alleen uitvoerig in op de rechtsmachtregeling van de EEX-Verordening, maar ook op de regelingen neergelegd in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, het EVEX-Verdrag, de Insolventieverordening en het Haags Forumkeuzeverdrag. Ook geeft hij een ‘spoorboekje’ voor de niet altijd direct te beantwoorden vraag welke van deze regelingen van toepassing is in voorkomende gevallen.