De Hoge Raad benadrukt nogmaals: partijbedoeling niet van belang bij kwalificatie arbeidsovereenkomst

Publicatie

17 december 2020

door 

Op 6 november 2020 heeft de Hoge Raad zich opnieuw uitgelaten over de kwalificatie van een overeenkomst als arbeidsovereenkomst . De Hoge Raad brengt nog eens onder de aandacht dat, anders dan wel eens wordt betoogd, partijbedoelingen niet van belang zijn voor de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst dient te worden aangemerkt.

Eisen arbeidsovereenkomst

De Hoge Raad overweegt dat de wet de arbeidsovereenkomst omschrijft als “de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.” Indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan deze omschrijving, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Anders dan uit het arrest Groen/Schroevers[1] wel is afgeleid, speelt de bedoeling van partijen dus geen rol bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.

Noodzakelijk onderscheid tussen uitleg en kwalificatie van overeenkomst

De Hoge Raad maakt een onderscheid tussen enerzijds de uitleg van een overeenkomst en anderzijds de kwalificatie van een overeenkomst. Bij de uitleg van een overeenkomst wordt de vraag beantwoord welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van (o.a.) de bedoelingen van partijen (de Haviltex-maatstaf[2]). Nadat de rechter met behulp van de maatstaf de overeengekomen rechten en verplichtingen heeft vastgesteld, kan hij vervolgens beoordelen of die overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst (kwalificatie). Hierbij gaat het simpelweg om de beoordeling van de wettelijke criteria (een overeenkomst, persoonlijke arbeid, loon en gezag) en niet om de bedoeling van partijen. 

Uitvoering is de beslissende factor voor de kwalificatie

Het door de Hoge Raad genoemde arrest Groen/Schroevers wordt in de praktijk inderdaad vaak (ten onrechte) aangehaald om een beroep te doen op partijbedoelingen bij de uitleg van een overeenkomst. In dit arrest is echter juist bepaald dat niet beslissend is wat partijen, toen zij de overeenkomst met elkaar sloten, voor ogen stond, maar dat ook moet worden gekeken naar de wijze waarop partijen feitelijk aan die overeenkomst uitvoering hebben gegeven. Aan de hand van de op deze wijze vastgestelde inhoud van de overeenkomst kan de rechter vervolgens bepalen of de overeenkomst behoort tot een van de in de wet geregelde bijzondere overeenkomsten, bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht.

In het arrest Van der Male/Den Hoedt[3] kwam al eens naar voren dat ook als partijen bedoeld hebben een arbeidsovereenkomst te sluiten, maar hier toch anders uitvoering aan wordt gegeven, de overeenkomst niet kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Ook het spiegelbeeld is in de Hoge Raad jurisprudentie voorgekomen. Hierbij wordt verwezen naar het STR/PGGM[4] arrest, waarin partijen juist niet de bedoeling hadden een arbeidsovereenkomst te sluiten, maar men in de praktijk wel feitelijk uitvoering aan de overeenkomst gaf als ware het een arbeidsovereenkomst. In dit geval moest de overeenkomst volgens de Hoge Raad wel degelijk worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst.

Met andere woorden: de uitvoering die partijen geven aan een overeenkomst geeft al jaren de doorslag. Dit wordt door de Hoge Raad nog eens bevestigd in het arrest van 6 november 2020.

Oplettendheid vereist bij de inschakeling van zelfstandigen

Het is steeds gebruikelijker voor bedrijven om gebruik te maken van zelfstandigen voor de uitvoering van (interim) werkzaamheden. Partijen gaan dan een overeenkomst van opdracht met elkaar aan. Oplettendheid voor beiden partijen is geboden, in het bijzonder als het gaat om zelfstandigen die naast mensen in loondienst hetzelfde werk verrichten. Wilt u hier meer over weten? Neem dan contact op met Sanne Baalhuis – Timmermans, of stuur een mail naar baalhuis@ekvandoorne.com

 

[1] HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495 (Groen/Schoevers).

[2] HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).

[3] HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9444 (Van der Male/Den Hoedt).

[4] HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6231 (Stichting Thuiszorg Rotterdam/PGGM).