Michiel Gorsira en Stan van Liere aangesteld als curatoren faillissement Banco Del Orinoco N.V.

Nieuws

9 oktober 2019

Op vrijdag 4 oktober 2019 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao Banco Del Orinoco N.V. (BDO) in staat van faillissement verklaard.

Vanwege het ernstig disfunctioneren van BDO is de CBCS er op 2 september 2019 toe overgegaan de bankvergunning van BDO in te trekken en het Gerecht te verzoeken de noodregeling ten aanzien van BDO uit te spreken. Het Gerecht heeft dit verzoek op 5 september 2019 gehonoreerd. Het Gerecht heeft aangenomen dat BDO gebruik heeft gemaakt van vervalste documenten om haar financiële positie te onderbouwen en achtte de ernstige twijfels van de CBCS over die financiëlepositie dan ook terecht.

Verscheidene buitenlandse toezichthouders hebben hierna soortgelijke maatregelen genomen tegen banken die tot dezelfde groep behoren als BDO.

Tijdens de noodregeling heeft CBCS geconstateerd dat de financiële positie van BDO deplorabel is. Vermogen dat BDO aan CBCS en aan accountants heeft voorgespiegeld, lijkt niet te bestaan. CBCS heeft vastgesteld dat er zeer gering actief is tegenover grote schulden. Tegen die achtergrond dient voortzetting van de noodregeling geen doel meer en is het faillissement van BDO met toepassing van artikel 37 lid 1 van het Landsverordening Toezicht Bank en Kredietwezen (LTBK) [1] uitgesproken.

Tijdens een informatiesessie vanmiddag bij de CBCS is het personeel van BDO hiervan op de hoogte gesteld. Het Gerecht heeft Mr. M.R.B. Gorsira en Mr. C.M. van Liere aangesteld als curatoren voor de verdere afwikkeling van het faillissement. De curatoren zijn via het volgende e-mailadres te bereiken: creditors.bdo@ekvandoorne.com.


[1] LTBK – Artikel 37 lid 1 – De Bank dient een verzoek tot faillietverklaring van de kredietinstelling in, indien haar blijkt dat de kredietinstelling een negatief eigen vermogen heeft en hetzij het met de noodregeling te bereiken doel is of niet meer kan worden verwezenlijkt, hetzij – indien niet tevoren de noodregeling werd uitgesproken – geen redelijk vooruitzicht meer bestaat dat het met de noodregeling te bereiken doel alsnog kan worden verwezenlijkt.