VanEps Kunneman VanDoorne Lawyers

We have a reputation as the region’s erudite centre of legal and market developments. We probably have the largest legal library in the Dutch Caribbean and we have access to many international databases.

Also, we have more lecturers than any other firm and we invest highly in the training of our people. We proudly share our vast knowledge base as it continues to develop in the Practice Areas, via our publications, participation in committees and several regional and international magazines.

Curacao: interregionale bevoegdheden van advocaten in het Koninkrijk

Ter ere van het 50 jarig bestaan van de Advocatenwet is het boek ‘ De advocaten pleiten staande’ uitgebracht. Mr J.M.R. Statius van Eps schreef het hoofdstuk Curacao: Interregionale bevoegdheden van advocaten in het koninkrijk.

 

Het betreft hier de problematiek, zowel strafrechtelijk als civielrechtelijk, van de advocaat die over de eigen landsgrenzen maar toch binnen het Koninkrijk der Nederlanden wenst op te treden in het bijzonder door aldaar een zaak te bepleiten en/of mondeling toe te lichten. Publicatie in 2002.

Een in Amsterdam ingeschreven advocaat wordt gevraagd een cliënt in een strafzaak op Curaçao bij te staan en deze zaak voor het Gerecht in Eerste Aanleg aldaar te bepleiten. Een op Aruba ingeschreven advocaat wordt verzocht voor zijn Arubaanse cliënt een kort geding te behandelen voor de Rotterdamse Rechtbank. In beide genoemde voorbeelden komt de vraag aan de orde of de advocaat aan de wensen van zijn cliënt tegemoet kan komen. Het betreft hier de problematiek van de advocaat die over de eigen landsgrenzen doch binnen het Koninkrijk der Nederlanden, als advocaat in een zaak wenst op te treden in het bijzonder door aldaar een zaak te bepleiten en/of mondeling toe te lichten.

In dit artikel zal allereerst de situatie worden besproken van een in Nederland ingeschreven advocaat die op de Antillen een zaak wenst te bepleiten. Een en ander zal zowel voor strafzaken worden bekeken als voor civiele zaken. Tenslotte zal aandacht worden besteed aan de op Aruba ingeschreven advocaat die op de Antillen wenst op treden en de op de Nederlandse Antillen of op Aruba ingeschreven advocaat die dergelijke activiteiten voor een Nederlands Gerecht wenst uit te oefenen.

Nederlandse Antillen- Nederland

Strafrechtelijk
Art. 50ter van het Antilliaanse Wetboek van Strafvordering bepaalt wie als advocaten in een Antilliaanse strafzaak kunnen optreden:

‘Als raadslieden worden slechts toegelaten praktizijns. Bij volstrekte noodzakelijkheid kunnen echter ook andere geschikte personen daartoe worden genomen’.

De eerste vraag die zich hierbij aandient is wat onder ‘praktizijn’ moet worden verstaan. In een beslissing van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (verder ook te noemen het Hof) van 22 september 22 (Hato), waarbij de beklaagde had verzocht om bijstand van een Amsterdamse advocaat naast een lokale advocaat, overweegt het Hof ten aanzien van dit punt als volgt:

‘Het woord praktizijn verwijst naar de plaatselijke opleiding van juristen voor de invoering van universitair onderwijs. Men zal de verouderde term moeten opvatten als: “advocaat”. Het artikel is blijkens de oude term geschreven voor de Antilliaanse verhoudingen en niet voor interregionale of internationale strafzaken. Praktizijn betekent in het bijzonder: hier te lande ingeschreven advocaten.’

Het Hof komt vervolgens tot de conclusie dat een advocaat van buiten (uit Nederland of elders) naar Antilliaanse recht derhalve niet bevoegd is zijn beroep in de Nederlandse Antillen uit te oefenen. Met andere woorden, een in Nederland ingeschreven advocaat valt niet onder het begrip ‘praktizijn’ als bedoeld in art. 50 ter SV.

Een volgende vraag is hoe het uitzonderingsgeval van art. 50 ter SV moet worden uitgelegd. Met andere woorden, wanneer en onder welke omstandigheden kwalificeert iemand als ‘andere geschikte persoon; die ook als advocaat in de Nederlandse Antillen wordt toegelaten. In interregionaal verband spits het bovengenoemd probleem zich toe op de vraag of een Nederlandse (of Arubaanse) advocaat kan worden gekwalifeert als een ‘ander geschikte persoon’ en op de vraag onder welke omstandigheid zijn aanwezigheid ‘volstrekt noodzakelijk’ is. Het Hof overweegt ten aanzien van dit punt in de Hato-zaak als volgt:

‘dat naar Antilliaanse recht een niet-ingeschreven advocaat uit Nederland in incidentele strafzaken alleen dan kan worden toegelaten als hij optreedt naast een in samenwerking met een ingeschreven Antilliaanse advocaat.’

Vervolgens geeft het Hof een wat verrassende uitleg van de term ‘bij volstrekte noodzakelijkheid’. Het Hof vat deze term in internationale en interregionale strafzaken op als:’in uitzonderingsgevallen’. Deze interpretatie van het Hof was kennelijk ingegeven doordat de klagende partij uitdrukkelijk een beroep had gedaan op de ook naar de mening van het Hof op de Nederlandse Antillen rechtstreeks toepasselijke artikelen van het Verdrag van Rome en Bupo-verdrag. Kort gezegd kennen deze verdragen aan de beklaagde, die niet op kosteloze bijstand is aangewezen, het recht toe om vrijelijk een raadsman te kiezen. Dat recht werd in de Hato-zaak uitgeoefend in die zin dat de klagende partij naast een in de Antillen ingeschreven advocaat tevens een niet-ingeschreven advocaat uit Nederland had gekozen.

Het Hof concludeert vervolgens in de Hato-zaak dat art. 50 ter SV in de door haar gegeven ‘ruime’ uitleg van de term ‘bij volstrekte noodzakelijkheid’ niet in strijd komt met deze verdragsteksten. Het Hof geeft vervolgens een aantal factoren weer die door haar doorslaggevend worden geacht bij de vaststelling of in de desbetreffende zaak zich een uitzonderingsgeval voordoet die het inschakelen van een Nederlandse advocaat rechtvaardigt. Doorslaggevende betekenis wordt door het Hof toegekend aan de volgende factoren:
- beklaagde woont al 15 jaar in Nederland;
- de beklaagde had zich aldaar kennelijk bediend van een vertrouwensraadsman die hij ook nu weer wilde inschakelen;
- beklaagde was voor deze zaak in Nederland aangehouden en was vervolgens naar de Antillen overgebracht.

Ook bij de bovengenoemde gronden komt het Hof tot de conclusie dat het verzoek van de beklaagde om een in Amsterdam ingeschreven advocaat in te schakelen moet worden ingewilligd.

In de recente strafzaak tegen C.Wathey verzoekt de beklaagde bijstand van een Haagse raadsman. De rechter-commissaris in de strafzaak wijst dit verzoek met een uitdrukkelijk beroep op het Hato-vonnis van de hand. De beklaagde begint vervolgens een kort geding-procedure waarbij hij een bevel vraagt de beslissing van de rechter-commissaris terug te draaien, een en ander met een beroep op strijd met het verdrag van Rome; immers de beklaagde moet de vrijheid hebben zijn raadsman te kiezen, aldus de beklaagde.

Het Gerecht in Eerste Aanleg toets de beslissing van de rechter-commissaris slechts marginaal aangezien de Antilliaanse Strafvordering een gesloten systeem van rechtsmiddelen kent en alleen vanwege een kennelijke misslag het besluit van de rechter-commissaris zou kunnen worden teruggedraaid. Alhoewel de kort gedingrechter overweegt dat over de beslissing van het Hof in de Hato-zaak en dus ook over de beslissing van de rechter-commissaris anders gedacht kan worden, was hij niet van mening dat de rechter-commissaris een aparte misslag had begaan. Het verzoek van Wathey om een Nederlandse advocaat in te schakelen wordt afgewezen. In hoger beroep wordt de beslissing van de Eerste Rechter door het Hof bevestigd.

Als de zaak voor de strafrechter komt vindt er een verrassende ontwikkeling plaats. De Haagse raadsman wordt door de strafrechter alsnog toegelaten. De rechter laat zich tot deze ommezwaai verleiden doordat hij van doorslaggevende betekenis acht dat er sprake is van een ingewikkelde internationale zaak, waar (internationale) deskundigheid bij komt kijken. Het Openbaar Ministerie had deze deskundigheid uit Nederland gehaald. In het licht van het beginsel van equality of arms is –aldus de strafrechter- ook de beklaagde c.q. zijn lokale raadsman gerechtigd deskundigheid uit Nederland te halen. De beslissing van de strafrechter om de Haagse raadsman na eenmaal te zijn toegelaten ook het woord op de zitting te doen voeren was verder ingegeven door proces-economische redenen. ‘Assistentie op afstand’ zou het proces hebben vertraagd.

Uit het bovenstaande kunnen de volgende richtlijnen worden gedestilleerd met betrekking tot de toelating van in Nederland ingeschreven advocaten in Nederlands Antilliaanse strafzaken:
- er moet sprake zijn van een internationale of interregionale strafzaak. Een zuiver lokale strafzaak zal in beginsel van het verzoek tot toelating moeten leiden;
- indien de zaak nauwe aanknopingspunten heeft met Nederland bijvoorbeeld doordat de beklaagde daar geruime tijd woont en/of in Nederland is aangehouden en/of Nederland reeds contact had met de door hem aangezochte raadsman, is er een reële mogelijkheid dat de desbetreffende raadsman wordt toegelaten;
- het equality of arms-principe. Indien het Openbaar Ministerie wegens de zwaarte en complexiteit van de (international) zaak deskundigheid uit Nederland heeft ingebracht, dan heeft ook de beklaagde in beginsel het recht om Nederlandse deskundigheid in te roepen.

In het in voorbereiding zijnde nieuwe Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen wordt het Hof van Justitie een wat ruimere beoordelingsbevoegdheid gegeven. Art. 57 van het Ontwerp Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in bijzondere gevallen op verzoek van de verdachte een buitenlandse advocaat kan worden toegestaan als raadsman op te treden, mits deze samenwerkt met een bij het Hof van Justitie ingeschreven advocaat.

Civielrechtelijk
In de Nederlandse Antillen bestaat in burgerlijke zaken in eerste aanleg geen verplichte procesvertegenwoordiging. Een partij kan derhalve in beginsel zelf optreden en het woord voeren of zich laten bijstaan door een speciale gematigde. Dit is anders bij het Hof van Justitie waar slechts advocaten zaken mogen bepleiten. De Advocatenlandsverordening voor de Nederlandse Antillen bepaalt ook hier dat als gemachtigde of raadslieden alleen kunnen optreden in de Nederlandse Antillen woonplaats hebbende personen.

In civiele zaken is het al jaren usance dat in Nederland ingeschreven advocaten in Antilliaanse civiele procedures het woord voeren mits dit gebeurt in samenwerking met een op de Antillen ingeschreven advocaat. Vanzelfsprekend is dit niet, aangezien art. 42 van de Advocatenlandsverordening bepaalt dat in de Nederlandse Antillen slechts die personen als raadsman of gemachtigde kunnen optreden die daar woonplaats hebben.

In de zaak Curaçao Oil Terminal NV en Shell Curaçao NV/ Eilandsgebied Curaçao d.d. 21 augustus 1979 werd aan de rolrechter de vraag voorgelegd of een advocaat uit Den Haag de zaak namens Shell Curaçao NV kon bepleiten voor het Antilliaanse Gerecht in Eerste Aanleg, dit in verband met het gestelde in art. 42 lid 1 van de Advocatenlandsverordening 1959. De rolrechter overwoog dat de desbetreffende advocaat uitsluitend in Nederland woonplaats had en daarom ingevolge de duidelijke bewoordingen van vermelde bepalingen van de Advocatenlandsverordening in de onderhavige procedure noch als gemachtigde noch als raadsman kon fungeren. De rolrechter overwoog echter ook dat dit niet noodzakelijkerwijze tot gevolg diende te hebben dat het de Haagse raadsman niet zou mogen worden toegestaan om voor eisers het woord te voeren. De rolrechter overwoog als volgt:

‘de ratio van artikel 42 lid 1 Advocatenlandsverordening 1959 lijkt ons te zijn gelegen in de bescherming van de Nederlandse Antilliaanse advocatuur tegen buitenlandse concurrentie en in bevordering van efficiënt procederen door ervoor te zorgen dat de gemachtigden en de raadslieden hun tegenpartij en voor het Gerecht gemakkelijk bereikbaar zijn. Aan die ratio wordt tekort gedaan indien de procespartij in een civiele procedure, die haar standpunt bij monde van een door haar bij uitstek deskundige geachte niet-ingezetene wilt doen verwoorden, zich, gelijk eisers in de onderhavige procedures, tevens laat bijstaan door een hier ter lande woonachtig en bij het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen ingeschreven advocaat. Aldus wordt bereikt dat de partijen in een civiele procedure hun argumenten op de wijze die zij zelf het beste achten naar voren kunnen brengen, hetgeen in het belang is van een goede procesvoering. Dezelfde goede procesvoering verzet zich ertegen dat artikel 20, lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen, voor zover dat partijen in een civiele procedure toetstaat zich ter rechtszitting door een raadsman te laten bijstaan, zo strikt wordt uitgelegd, dat deze toestemming tevens een verbod aan partijen zou inhouden om zich bij pleidooi naast de raadsman ook door een andere te laten bijstaan’.

Bij brief van 30 mei 1989 heeft de toenmalige President van het Hof van Justitie, mr. J.M. Saleh. Voornoemd beleid bevestigd, door als oordeel van het Hof van Justitie kenbaar te maken dat Nederlandse advocaten, ook indien zij in het buitenland zijn gevestigd, wordt toegelaten het woord te voeren ter toelichting van zaken, mits zulks geschiedt in samenwerking met een lokale advocaat.

Nederlandse Antillen- Aruba
Aangezien Aruba wel tot het Koninkrijk der Nederlanden behoort doch niet tot de Nederlandse Antillen, is het niet vanzelfsprekend dat op Aruba ingeschreven advocaten mogen optreden op Curaçao en andersom. Immers, ook hier geldt in beginsel de regel dat slechts op de Nederlandse Antillen woonplaats hebbende personen als gemachtigde of raadslieden kunnen optreden.
In de zaak Pizzózo/Nederlandse Antillen van 1986, maakt de procureur-generaal van de Nederlandse Antillen bezwaar tegen het optreden in een strafzaak van een te Aruba ingeschreven advocaat voor het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, voorzover het Hof zitting had op Curaçao.     

Het Hof liet de Arubaanse advocaat toe omdat deze ook voor dat Aruba in 1986 de Status Aparte kreeg, ingeschreven stond bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en op grond van art. 2 van de Nederlandse Antilliaanse Advocatenverordening 1959, bevoegd was om op de Nederlandse Antillen het beroep van advocaat uit te oefenen.

Het Hof durfde het niet aan de principiële beslissing te nemen of ook ten aanzien van advocaten die na 1986 de praktijk op Aruba zijn gaan uitoefenen en op grond van de Arubaanse Advocatenlandsverordening, welke verordening gelijkluidend is aan die van de Nederlandse Antillen, in beginsel slechts bevoegdheid hebben om op Aruba het beroep van advocaat uit te oefenen, geldt dat zij gelijke bevoegdheden hebben voor wat betreft de gerechten in de Nederlandse Antillen.

Het moet er echter voor worden gehouden dat dit mogelijk is. Er is één Gemeenschappelijk Hof van Justitie voor de Nederlandse Antillen en Aruba waarbij zowel de Antilliaanse als Arubaanse advocaten ingeschreven zijn en er is ook één Raad van Toezicht zetelende op Curaçao. Ingevolge geldende jurisprudentie is het verkrijgen van een vergunning voor een Arubaan om op Curaçao te werken en andersom een formaliteit. De Nederlandse Antillen en Aruba zijn verplicht elkaars ingezetenen toe te staan. De praktijk bevestigt het bovenstaande. Advocaten uit Aruba en Curaçao behandelen vrijelijk straf- en civielzaken in elkanders jurisdictie.

Nederland- Nederlandse Antillen
Art. 37 Nederlandse Strafverordening beperkt de toelating van raadslieden tot ‘in Nederland ingeschreven advocaten, alsmede personen bedoeld in artikel 16b van de Advocatenwet.’ Enige uitzondering is dat Antilliaanse advocaten wel de bevoegdheid hebben voor de Hoge Raad te pleiten in zowel civiel- als strafzaken (Rijkswet van 20 juli 1996, Stb. 1961, nr.212). Art. 11 van de Nederlandse Advocatenwet spreekt van de bevoegdheid van advocaten om voor rechtelijke colleges ‘binnen het Rijk’ op te treden. Onder ‘binnen het Rijk’ dient echter te worden verstaan ‘binnen het Rijk in Europa’ derhalve in Nederland en niet ook de Nederlandse Antillen of Aruba.

Met de ‘overige personen’ bedoeld in art. 16b van de Advocatenwet worden bedoeld ‘personen die in een andere tot de EEG behorende staat’ gerechtigd zijn als advocaat op te treden. Alhoewel de Antillen geassocieerd lid zijn va de EEG brengt dit –zo is de algemene opvatting- niet mee dat de bepalingen van het verdrag omtrent het vrije verkeer van personen en diensten op de Antillen van toepassing zijn. Op basis van het bovenstaande kan het ervoor worden gehouden dat de toelating van een Nederlands Antilliaanse advocaat op een strafzitting of civiele zitting in Nederland geweigerd zal worden.

Conclusie
Het is een gegeven dat het Nederlandse Antilliaanse en Arubaanse Strafrecht en Strafverordening afwijken van de Nederlandse. Dit geldt ook voor de relevante wetgeving inzake de bevoegdheden om als advocaat in elkanders jurisdictie op te treden en het woord te voeren. Opvallend is dat alhoewel het personenverkeer van Nederland naar de Nederlandse Antillen aan restricties is gebonden, terwijl dat andersom niet het geval is, de Nederlandse Antillen zich niet afsluit voor in Nederland ingeschreven advocaten, terwijl dit andersom weer wel het geval is. Waar op het gebied van het strafrecht het optreden van in Nederland ingeschreven advocaten op de Nederlandse Antillen duidelijk aan restricties is onderworpen zijn deze restricties er voor civiele zaken (nagenoeg) niet. In de verhouding Nederlandse Antillen en Aruba is er vanwege het feit dat Arubaanse en Nederlands Antilliaanse advocaten bij een en hetzelfde Hof van Justitie zijn ingeschreven de facto een volledig vrij verkeer van advocaten.

Mr. J.M.R. Statius van Eps is advocaat bij VanEps Kunneman VanDoorne te Curaçao.

 


Viagra Sale Buy